Over misbruik van inhoudingsvrijstelling bij dividendbelasting
Ben je een buitenlandse aandeelhouder met een belang van meer dan 5% in een Nederlandse vennootschap? Let dan op dat je niet (onbewust) misbruik maakt van de inhoudingsvrijstelling voor de dividendbelasting.
Recent heeft de Hoge Raad namelijk twee arresten gewezen over de toepassing van de antimisbruikbepalingen in de dividendbelasting. In beide zaken was hierdoor dividendbelasting verschuldigd over de uitgekeerde dividenden. We vertellen je meer in dit artikel.
Hoe werkt de inhoudingsvrijstelling?
Het doel van de Belastingdienst is om een dividenduitkering eenmaal te belasten bij de winstmakende vennootschap, en eenmaal bij de individu die dividenden ontvangt. Wanneer je dividend aan een moedervennootschap uitkeert, is deze in principe vrijgesteld van zowel vennootschapsbelasting als dividendbelasting, via respectievelijk de deelnemings- en inhoudingsvrijstelling.
De moedervennootschap (ontvangende vennootschap) maakt in dat geval gebruik van de deelnemingsvrijstelling, waardoor dubbele heffing voorkomen wordt. De deelnemingsvrijstelling is, in principe, van toepassing wanneer de ontvangende vennootschap minimaal 5% van het geplaatste nominale aandelenkapitaal houdt of lid is van een coöperatie.
De dochtervennootschap (uitkerende vennootschap) maakt in dat geval gebruik van de inhoudingsvrijstelling,
De inhoudingsvrijstelling is niet alleen van toepassing wanneer de moedervennootschap in Nederland is gevestigd. Ook kan een dochtervennootschap de inhoudingsvrijstelling gebruiken bij uitkeringen naar buitenlandse vennootschappen, hiervoor moet aan de volgende twee voorwaarden worden voldaan:
- De buitenlandse moedervennootschap had de deelnemingsvrijstelling kunnen toepassen als zij in Nederland was gevestigd; en
- De buitenlandse moedervennootschap is gevestigd in een land waarmee Nederland een belastingverdrag ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten.
Met deze vrijstelling wordt beoogd dat uitkeringen tussen vennootschappen zijn vrijgesteld en dat de winst slechts belast is bij de vennootschap die winst heeft gemaakt en bij de individu die uiteindelijk de dividenden ontvangt.
Hoe de Belastingdienst misbruik in de dividendbelasting tegengaat
Op basis van deze hoofdregel is het relatief eenvoudig om als niet-inwoner van Nederland de dividendbelasting te vermijden.
Stel dat een inwoner van België rechtstreeks aandelen in een Nederlandse BV houdt, dan is hij dividendbelasting verschuldigd als er dividend wordt uitgekeerd. Maar als hij de aandelen gaat houden via een Belgische vennootschap, dan is de dividenduitkering naar België vrijgesteld. Als België daarna ook een vervolguitkering naar hem in privé niet of lager belast, dan is met het tussenschuiven van één lege vennootschap de heffing over het dividend geheel of gedeeltelijk voorkomen.
Dat is volgens de Nederlandse wetgever onwenselijk. Er is daarom een antimisbruikbepaling toegevoegd aan de Nederlandse dividendbelasting.
Deze bepaling is specifiek bedoeld om het tussenschuiven van vennootschappen voor de inhoudingsvrijstelling te voorkomen. De antimisbruikbepaling schrijft voor dat bij zulk misbruik, de inhoudingsvrijstelling alsnog niet kan worden toegepast. De dochtervennootschap moet dan alsnog dividendbelasting inhouden.
De antimisbruikbepaling wordt toegepast als aan beide onderstaande voorwaarden is voldaan:
- De constructie is niet opgezet voor geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen, oftewel een kunstmatige constructie (objectieve voorwaarde); en
- Deze constructie is opgezet met als doel om heffing van belasting te voorkomen (subjectieve voorwaarde).
In de arresten van 18 juli 2025 heeft de Hoge Raad meer duidelijkheid gegeven over de toetsing aan de objectieve voorwaarden. In deze arresten heeft zij bepaald dat er een geldige zakelijke reden is als de ontvanger van het dividend:
- een onderneming drijft; en
- de aandelen in de uitkerende vennootschap hieraan toerekenbaar zijn.
Het is daarbij belangrijk dat de moedervennootschap beschikt over voldoende mensen en middelen om de ondernemingswerkzaamheden ook daadwerkelijk te kunnen uitvoeren.
Hoe verliepen de arresten?
In de arresten van 18 juli 2025 heeft de Hoge Raad getoetst of de ontvangende maatschappij een onderneming dreef waaraan de aandelen toe te rekenen waren.
In één van de casussen werd geoordeeld dat het houden van twee oldtimers en diverse portfolio-investeringen niet kan worden gezien als het drijven van een onderneming, waardoor er geen geldige zakelijke redenen voor de structuur aanwezig was.
In de tweede casus verrichte de moedervennootschap management- en bestuurswerkzaamheden voor verschillende dochtervennootschappen. Dit wordt aangemerkt als het drijven van een onderneming. In de tweede casus werd de moedervennootschap daarom wel als ondernemer aangemerkt.
Maar zij verrichte deze werkzaamheden alleen voor andere deelnemingen, en niet voor van de Nederlandse dochtervennootschap die het dividend uitkeerde. Daarom oordeelde de Hoge Raad dat de aandelen in deze dochtervennootschap niet toerekenbaar waren aan de gedreven onderneming. Hierdoor was er voor de Hoge Raad alsnog geen geldige zakelijke reden voor de structuur.
Wel heeft de Hoge Raad bepaald dat de belastingplichtige de mogelijkheid heeft om tegenbewijs te bieden, om alsnog de economische realiteit van de structuur aannemelijk te maken. Dat is in beide zaken niet gelukt.
De subjectieve voorwaarde en de wegdenkgedachte
Voor het toetsen van de subjectieve voorwaarde, heeft de wetgever de ‘wegdenkgedachte’ geïntroduceerd. Voor de wegdenkgedachte wordt een vergelijking gemaakt tussen de bestaande situatie en de situatie zonder één of meer buitenlandse vennootschappen.
Als dan blijkt dat in het tweede scenario meer dividendbelasting zou zijn verschuldigd dan in de bestaande situatie, dan wordt geacht dat de structuur is opgezet om belasting te ontgaan.
Doordat er bij een dividenduitkering naar een individu altijd dividendbelasting is verschuldigd, leidt het wegdenken van alle vennootschappen altijd tot een hogere belastinglast. Als er een indirecte 100% aandeelhouder is, die geen dividendbelasting verschuldigd zou zijn als zij de aandelen in de Nederlandse dochtervennootschap direct had gehouden, dan hoeft die entiteit niet weggedacht te worden. Er is dan geen sprake van een belastingbesparing. Waardoor niet wordt voldaan aan de subjectieve voorwaarde.
Dit betekent dus dat als er een 100% indirecte aandeelhouder is die een onderneming drijft waaraan de aandelen van de Nederlandse dochtervennootschap toegerekend hadden kunnen worden, indien deze rechtstreeks werden gehouden er, in principe, alsnog geen dividendbelasting verschuldigd is.*
*Let op dat er aanvullende voorwaarden van toepassing zijn indien de entiteit die de onderneming drijft, of één of meer van de tussengeschoven vennootschappen, in een land is gevestigd dat geen belastingverdrag ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten met Nederland.
In beide zaken die voorlagen bij de Hoge Raad werden de aandelen uiteindelijk gehouden door Belgische individuen. Deze individuen komen niet in aanmerking voor de inhoudingsvrijstelling. Geoordeeld werd dat ten aanzien van deze individuen belasting werd bespaard door het tussenschuiven van Belgische vennootschappen. Daardoor is voldaan aan de subjectieve voorwaarde. Mede doordat het niet gelukt is om tegenbewijs te bieden.
In beide zaken was hierdoor dividendbelasting verschuldigd over de uitgekeerde dividenden.
Conclusie
Voor de toepassing van de inhoudingsvrijstelling is het dus noodzakelijk dat de directe of indirecte aandeelhouder een onderneming drijft waaraan de aandelen van de Nederlandse dochtervennootschap kunnen worden toegerekend.
Is dit niet zo, dan is er in principe dividendbelasting verschuldigd. Dit is slechts anders als er voldoende andere zakelijke redenen voor de opgezette structuur zijn. De Hoge Raad heeft nu (nog) niet bepaald welke redenen hiervoor kunnen kwalificeren.
Soortgelijke antimisbruikbepalingen
Op meerdere plekken in ons belastingsysteem is een gelijke misbruiktoets met dezelfde bewoordingen opgenomen. Dezelfde toets kan ook worden gebruikt bij de vraag of in Nederland zijn belast:
- De verkoop van aandelen in een Nederlandse dochtervennootschap door een buitenlandse moedervennootschap, die tenminste 5% van de aandelen houdt.
- Rente ontvangen door een buitenlandse moedervennootschap vanuit een Nederlandse dochtervennootschap, waarin zij (indirect) tenminste 5% van de aandelen houdt.
Ons advies
Voor buitenlandse moedervennootschappen met een belang van meer dan 5% in een Nederlandse dochtervennootschap, kunnen deze arresten gevolgen hebben. Zij moeten beoordelen of elementen uit de organisatiestructuur als kunstmatig kunnen worden aangemerkt.
Dit kan dan gevolgen hebben voor de inhoudingsvrijstelling. Als je hierover twijfelt, is het verstandig om de structuur tegen het licht te houden. Mogelijk kan door een aanpassing van de structuur, de toepassing van de inhoudingsvrijstelling alsnog veilig worden gesteld.
Let op! Bij een uitkering aan een in het buitenland gevestigde aandeelhouder, moet je altijd een melding bij de Belastingdienst doen. Als er dividendbelasting wordt ingehouden, is dit een aangifte dividendbelasting. Wordt de inhoudingsvrijstelling toegepast, dan moet een opgaaf dividendbelasting worden ingediend. De deadline is in beide gevallen één maand na uitkering.
Vragen?
Het is dus belangrijk om risico’s op de toepassing van antimisbruikbepalingen tijdig in kaart te brengen. Natuurlijk kunnen wij hiermee helpen en meedenken hoe deze risico’s beperkt kunnen worden. Neem daarom contact op met je contactpersoon binnen CROP.