Box 2 heffing naar 36%: lucratief belang naar box 1?
Managers, maar ook anderen, die via een bv een lucratief belang houden, worden vanaf 2026 geconfronteerd met een hogere belastingdruk. Het tarief in box 2 voor deze voordelen stijgt naar maximaal 36%. Hiermee is het verstandig om te overwegen in welke box je dit belang laat belasten. Wij leggen je meer hierover uit.
Wat is een lucratief belang?
Een lucratief belang is een financieel belang van bijvoorbeeld een werknemer of manager in een onderneming, waarbij het rendement op dat belang (de winst) voor die persoon uitzonderlijk hoog kan zijn in verhouding tot de inleg.
Denk aan aandelen of rechten op aandelen die onder gunstige voorwaarden zijn verkregen, vaak als onderdeel van een beloningspakket. Deze voordelen worden niet als voordeel uit beleggen gezien, maar vooral als beloning voor arbeid. Daarom worden deze inkomsten anders belast dan reguliere beleggingen, zodat ze niet onder het forfaitaire rendement in box 3 vallen. Doordat de wetgever de waardestijging van dergelijke belangen, meer als een vergoeding op arbeid ziet, is het voordeel in beginsel in box 1 tegen het progressieve tarief van maximaal 49,5% belang.
Maar als het belang via een vennootschap wordt gehouden en de voordelen in het jaar van ontvangst bijna compleet worden uitgekeerd naar privé, dan is het voordeel in box 2 belast. In 2025 is dat het reguliere tarief van maximaal 31% en vanaf 2026 tegen maximaal 36%.
Lucratief belang via een bv?
De verhoging van het box 2 tarief roept de vraag op of het vanaf 2026 nog wel de fiscaal meest gunstige structuur is om een lucratief belang via een bv te houden. Bij de introductie van het lucratief belang in 2009 bedroeg het tarief in box 1 52 procent en het tarief in box 2 25 procent. Vanwege het grote verschil in tarieven, was het vaak fiscaal de beste optie om het belang in box 2 te houden.
Op het eerste gezicht lijkt het nog steeds voordelig om het lucratief belang via een bv in box 2 te houden, bij een tarief van 36% in box 2 en een tarief van 49,5% in box 1. Een uitkering in box 1 kan, in de meeste gevallen, zo vorm worden gegeven, dat de betaling aftrekbaar is voor de vennootschapsbelasting bij de werkgever.
Als voor de verschillende belastingsoorten de tariefsopstapjes worden genegeerd, dan volgt uit onderstaande berekeningen dat de last voor de werkgever hoger ligt als het belang via een BV in box 2 wordt gehouden, bij eenzelfde netto-opbrengst voor de werknemer:
Berekenening belasting lucratief belang in box 1 & box 2
|
|
Box 1 variant | Box 2 variant |
| Percentage | 49,5% | 36% |
| Bruto uitkering | € 198 | € 156 |
| Inkomstenbelasting | € 98 | € 56 |
| Waarvan vermindering vennootschapsbelasting | € 51 | – |
| Netto-opbrengst werknemer | € 100 | € 100 |
| Netto last werkgever | € 147 | € 156 |
Dus als het inderdaad mogelijk is voor de werkgever om de last af te trekken, dan is het fiscaal voordeliger om het voordeel in box 1 te belasten.
De hoofdregel voor een lucratief belang en ook loon is al heffing in box 1, waardoor dit in de meeste gevallen ook veel eenvoudiger realiseren is dan heffing in box 2. Dit voorkomt bijvoorbeeld dat de werknemer een bv moet oprichten en daar de administratie voor moet voeren.
Wel vraagt dit een andere manier van structureren van nieuwe werknemersparticipaties. Heb je als werkgever managementparticipaties of ben je van plan om een managementparticipatieplan op te zetten, neem dan contact op met je contactpersoon binnen CROP om te kijken of er verdere fiscale optimalisatie mogelijk is.